Een samenvatting van onze boeken

 

Een postkapitalistisch alternatief, waarom en hoe

We leven wereldwijd in een economische orde die niet in orde is

 

We willen deze samenvatting van onze boeken beginnen met de constatering dat de techniek en de knowhow op allerlei terreinen ver genoeg gevor­derd zijn, er mensen genoeg zijn die de nodige arbeidskracht kunnen leveren, en er ook grond­stoffen genoeg ter beschikking staan, om nu en ook later alle bewoners van deze aarde een mens­waardig bestaan te garanderen in res­pect voor de natuur. Waar het op aan komt is de keuze voor een economische orde waarin deze gunstige factoren ten volle benut kunnen wor­den. Dat we deze keuze nog niet gemaakt hebben blijkt wel uit de economische wer­ke­lijkheid waar­in we wereld­wijd moeten leven. In plaats van de garantie van een menswaardig leven voor alle bewoners, zien we een steeds verdergaande bedrei­ging van het bestaan van de mens en de aarde. Vrijwel iedereen weet van de voortdurende groot­schalige armoede op de wereld, en van de sociale ongelijkheden die steeds groter wor­den. En het probleem van de overbelas­ting van de mensen en de aarde, en met name ook de aantasting van de biosfeer, zijn voor bijna ieder­een inmiddels al "an incon­venient truth" gewor­den (Al Gore).

 

Maar de werkelijke verontrusting en onthutsing zouden toch toe moeten slaan als we ons rea­li­seren dat dit onheil in de we­reld niet toegeschreven moet worden aan een of andere natuur­ramp waar we machteloos tegen staan, maar dat een en ander het gevolg is van een door men­sen gecreëerde orde. En hoe rampzalig die orde is blijkt als we haar nader toe­­lichten met enkele cijfers.

Nemen we dan allereerst de armoede onder de loep. Het blijkt dat 1,2 miljard mensen rond moet zien te komen van 1 US dollar per dag en ruim 3 miljard van minder dan 2 dollar per dag. Meer dan de helft van de mensen - bijna allen uit ontwikkelingslanden - leven onder de armoe­degrens. Ruim 820 miljoen mensen lijden dagelijks honger, elke drie seconden sterft een kind van de honger en dagelijks sterven wereldwijd ruim 30.000 kinderen aan ziektes die voorkomen kunnen worden. Van de men­sen uit de armste ontwikkelingslanden heeft 43% geen toegang tot zuiver water, en 64% be­schikt niet over de meest rudimentaire sani­taire voor­­zieningen. Bovendien brokkelen in deze gebie­den de traditionele staatsstructuren af en wordt de dienst steeds meer uitgemaakt door on­der­nemingen die op winst uit zijn, met het oog daarop de bevolking uitbuiten en de deur wijd openzetten voor de georganiseerde mis­daad, de maffia, corruptie, milieurampen en epi­de­mie­ën.

Maar niet alleen ontwikkelingslanden kennen armoede, ook zogenaamde rijke westerse lan­den weten er van mee te praten. Zo leven in de VS en Europa ongeveer 100 miljoen mensen onder de armoedegrens. En als we er het vroegere Oost Europa en de voormalige Sovjet Unie bij betrekken vallen er nog zo'n 80 tot 100 miljoen méér onder die grens. We benaderen een factor van 1 op 3 in de verhouding van mensen met een (relatief) welvarend bestaan tot die welke alleen (schrijnende) armoede kennen.

 

Armoede blijkt niet alleen in absolute, maar ook in relatieve zin. Zo is de ongelijkheid tussen arme en rijke landen sinds 1960 meer dan verdubbeld en gestegen van 1 op 30 naar meer dan 1 op 80 nu. Ook hier geldt dus weer dezelfde factor van bijna 1 op 3. De 358 rijksten ter wereld hebben gezamenlijk meer vermogen dan de 2,5 miljard armsten. Die opeenhoping van kapitaal komt niet alleen voor bij particulieren, maar natuurlijk vooral bij ondernemingen en bedrijven. Zo is van de totale wereldhandel 70% in handen van slechts 500 ondernemingen en 1% van alle transnationals bezit de helft van alle buitenlandse investeringen. Er komt steeds meer kapitaal terecht bij steeds minder ondernemers en onder­nemingen. De economie wordt dus wereldwijd in toenemende mate beheerst door steeds min­der bedrijven die voortdurend groter worden en zo hun economische macht ten eigen voordele dwingend aan overheden en samenlevingen kunnen opleggen. Die factor van 1 op 3 zal dus alleen nog maar ongunstiger worden.

 

 

De overbelasting van mens, natuur en milieu

 

De ordeloosheid van onze economie komt ook aan het licht in de overbelasting van mens, natuur en milieu. De noodzaak in onze economische orde om steeds meer winst te maken leidt tot overbelasting van de mens en de aarde. Degenen die werk hebben staan vaak onder zware druk en worden menigmaal opgejaagd tot een burn-out of worden arbeidsongeschikt, terwijl zoveel anderen gedwongen thuis zitten zonder werk. De schattingen zijn dat voor ons land - Nederland - alleen al het aantal mensen met een burn-out kan oplopen tot 1,4 miljoen. En niet alleen de draagkracht van de mens, ook die van de aarde is al ver overschreden. De noodzaak in onze eco­no­mische orde steeds meer winst te maken leidt tot een ongebreidelde productie, met als gevolg dat ener­gie- en grondstoffenvoorraden onverantwoord snel worden opgeteerd, en natuur en mili­eu ernstig beschadigd raken. De helft van de rivieren op de wereld is ver­vuild, 15% van de bodem treft ditzelfde lot en ongeveer een zesde deel ervan, ofwel 2 miljard hectaren, is zelfs extreem vervuild. Sinds 1990 is bijna 90 miljoen hectaren regenwoud ver­wij­derd. De uitstoot van kooldioxide (CO2) en andere schadelijke gassen neemt steeds maar toe en draagt bij aan de opwarming van de aarde en veelvuldige natuurrampen, die in de nabij toekomst al ramp­zalige gevolgen kunnen aannemen. En wat biodiversiteit be­treft: 12% van de vogelsoor­ten en ongeveer een kwart van de zoog­dieren worden in hun voort­bestaan bedreigd. Rond 2050, het jaar waarop volgens een weinig con­crete en vrij­blij­vende afspraak van de G8 in Hei­ligen­damm, de CO2 - uitstoot wereldwijd met de helft moet zijn verminderd, zullen al een miljoen planten- en diersoorten uitgestorven zijn. De aarde wordt een steeds minder geschikt oord voor leven.

 

Verder zijn daar ook de telkens terugkerende economische crises en recessies. De heersende eco­nomische orde kent een zeer onevenwichtige groei, dat wil zeggen een groei die telkens wordt afgewisseld door ernstige crises in de winstvorming van bedrijven. Die crises worden op de bevolking, vooral het armere deel ervan, afgewenteld, terwijl de (meestal kortstondige) groei in winst bijna geheel vloeit naar de rijken en de bedrijven, waar kapitalisten eige­naar van zijn.

 

 

De vraag die er toe doet

 

Tot zover dan een nog slechts beperkte opsomming van de ernstige problemen die de econo­mische orde waarin we leven ons opdringt. De economie die hier ter discussie staat is de vrije­markteconomie ofwel het kapitalisme, sinds de jaren 1980 in zijn huidige wereldwijde vorm ook wel genaamd het neoliberalisme. Deze orde heeft natuurlijk ook wel tot bepaalde resul­ta­ten geleid, of liever ge­zegd, onder maatschappelijke druk en verzet is onder het kapitalisme ook wel vooruitgang geboekt, zoals de stijging van de gemiddelde levensverwachting, de da­ling van kindersterfte en de afname van het analfabetisme. Maar in het licht van de hier­bo­ven vermelde problemen verbleken deze resultaten. De vraag die er toe doet is dan van­zelf­spre­kend of de oplossing van genoemde maatschappelijke en ecologische problemen gezocht en nage­streefd kan worden binnen deze heersende kapitalistische economie, of dat dit stelsel deze pro­ble­men juist veroorzaakt en verdiept, en dus een effectieve aanpak ervan belemmert? Het ligt voor de hand dat de apologeten, de verdedigers, van het kapitalisme/neo­li­be­ra­lis­me koste wat kost deze economie buiten het vizier willen houden als vindplaats van de oorzaak van die pro­ble­men. Ze benadrukken dat juist een onbelemmerd functioneren van het kapi­ta­lis­­me alle pro­ble­men zal oplossen via de veelgeprezen "invisible hand" van Adam Smith. De oorspronkelijke bedoelingen van Smith worden hier geweld aangedaan ten gunste van de private hebzucht, de inwendige dynamiek van het kapitalisme, die voortkomt uit de men­se­lijke natuur om te overleven ten koste van alles en anderen. De bedoeling die voor­ligt is de verdediging van de belangen van de elites van het kapitalisme/­neoli­be­ra­lisme, de private bezitters, de kapitalisten dus. Deze en ervan afgeleide visies veronachtzamen de uitwendige dyna­­miek in het kapi­ta­lis­me, waar­in er rijkdom is omdat er armoede bestaat, er ontwikkeling is dank­zij onder­ont­wik­ke­ling, en een gezond milieubeleid ondergeschikt is aan het winst­stre­ven. In deze visies wordt de oorzaak van de maatschappelijke en ecologische problemen, of al­thans de oor­zaak die de meeste ver­kla­ringskracht bezit, niet gezocht waar zij te vinden is, name­­lijk in het (in­ter­na­tionaal) kapi­ta­lisme. Zolang het kapitalisme/neoliberalisme het eco­no­misch wereld­to­neel domi­neert, zullen de maatschappelijke en ecologische problemen alleen maar worden ver­diept en niet tot een oplossing kunnen komen. De bestaande kapitalistische economie biedt geen oplossing, zij is juist zelf het pro­bleem. Het kapitalisme is naar zijn kern identiek aan de pro­blemen die het veroorzaakt, het zit in zijn genen, het kán niet buiten de uitbuiting van mens en natuur, het is juist dáár waar het zijn winst vandaan moet halen. Zonder uitbuiting en de problemen die dat oplevert, bestaat het kapitalisme niet. Laten we dat in het kort nader toe­­lichten aan de hand van enkele centrale kenmerken van dat systeem.

 

 

De belangrijkste karaktertrekken

 

Een van de belangrijkste karaktertrekken van het kapitalisme is dat ondernemers ofwel kapi­talisten, kapitaal investeren in pro­ductiemiddelen, onder meer ook arbeidskracht, om er dien­sten en goe­deren mee te kunnen laten produceren die op de markt verkocht wor­den. Kapi­­ta­lis­ten in­vesteren hun geld niet uit hobbyistische of menslievende over­we­ging­en. Ze doen dat van­uit een welbe­gre­pen eigenbelang, namelijk met de bedoeling er meer uit te halen dan ze investeren. Het verschil heet winst. Daarbij gaat het natuurlijk niet om een een­malig profijt, maar om de onafgebroken beweging van winst. Het allesoverheersende prin­cipe is winst maken, steeds meer winst.

Hoe komt die winst tot stand? Winst wordt niet gerealiseerd doordat de kapitalist zijn pro­duc­ten (goederen en diensten) op de markt zou verkopen tegen een prijs die hoger ligt dan de wer­ke­lij­ke waarde. Dat is een hardnekkig en wijdverbreid misverstand. De winst komt op een heel andere manier tot stand. Aan de basis daarvan ligt dat arbeiders voor een deel van hun arbeid geen loon krijgen. Zij produceren in het productieproces dus méér waarde dan waar ze voor betaald krijgen. Dit verschil wordt dan ook meerwaarde genoemd. En het is juist dit sur­plus, deze meerwaarde, het niet betaalde deel van het loon dus, dat de basis is, de bron van de winst voor de kapitalist. Die winst wordt gerealiseerd wanneer door verkoop van producten op de markt de daarin opgeslagen meerwaarde in klinkende munt, in geld dus, wordt omgezet. De kapitalist steekt deze winst, gebaseerd op onbetaalde arbeid van anderen, dat wil dus zeg­gen uitbuiting, in eigen zak en verrijkt zich zo.

 

Nu kan de kapitalist wel van alles willen - vooral zelfverrijking natuurlijk - , maar de kapi­ta­lis­tische praktijk is weerbarstig. Het blijkt namelijk niet altijd eenvoudig of uiteindelijk zelfs maar moge­lijk om meerwaarde ook in voldoende winst (geld dus) om te zetten. Sterker nog, het kapita­lis­me is per definitie niet in staat genoeg winst binnen te halen om op termijn te over­leven. Uiteindelijk is zijn ondergang dus onvermijdelijk en alleen een kwestie van tijd. Hoe steekt die vork in de steel, waarom leiden meerwaardevorming - uitbuiting - als basis waar­op een econo­misch stel­sel berust, en de omzetting in geld door verkoop op de markt van producten die meer­waar­de bevatten, altijd tot crises en uiteindelijk de zwanenzang? Een drietal factoren speelt hierin een overwegende rol. 

1. Vooreerst hebben we daar het altijd aanwezige gebrek aan koopkracht. Zoals gezegd ont­staat meerwaarde doordat de arbeider een loon ontvangt dat in waarde lager is dan de waarde die hij in het arbeidsproces schept. Het lo­gische en feitelijke gevolg is dat de som van de betaalde lonen lager ligt dan de totale waarde die in het productieproces tot stand wordt ge­bracht. De consequentie is dat uiteindelijk niet de hele meerwaarde in winst omgezet kan wor­den. De koopkracht schiet immers tekort. Het gevolg is overproductie. En aan producten die meerwaarde bevatten maar niet verkocht kun­nen worden, kan geen winst ontleend worden. Beperking van de koopkracht/consumptie leidt tot een crisis van overproductie en in samen­hang daarmee tot een crisis in de realisering van de winst. Export kan tijdelijk soelaas bieden, totdat de gebrekkige koopkracht ook elders en in de betreffende sectoren toeslaat.

2. De crisis in de winstneming is niet alleen het gevolg van de altijd aanwezige gebrekkige koopkracht, zij ondervindt ook de schadelijke werking van stijging van de lonen. Ofschoon de kapitalist er belang bij heeft het loon van de arbeid zo laag mogelijk te houden - hoe lager het loon hoe hoger de meerwaarde - komen loonstijgingen toch wel voor. Naargelang namelijk de eco­no­­mie soms opbloeit en de vraag groeit naar inzet van (bijna) geheel de beschikbare ar­beids­kracht, zal de prijs van de arbeid toenemen en zullen de lonen dus stijgen. Maar die ver­oor­zaken dan ook prompt een crisis. Want door de stijging van de lonen vermindert de meer­waardevorming, de bron van de winst. Economische bloei verhoogt de prijs van de ar­beid en doet daarmee de meerwaarde en dus de winst afnemen, en veroorzaakt zo een crisis.

3. En dan is er nog een derde factor, die de kapitalist uit de slaap houdt omdat het maar niet zo goed wil lukken met de winstneming. Die factor is de zogenaamde tendentiële daling van de winstvoet. De winstvoet duidt op de verhouding tussen winsten en kosten. Hoe hoger de winst en hoe lager de kosten, hoe groter de winstvoet. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook. Hoe lager de winst en hoe hoger de kosten, des te lager de winstvoet.

 

Het hoeft geen betoog dat iedere kapitalist streeft naar het eerste, maar in feite krijgt hij voort­durend te maken met het tweede. De winstvoet heeft namelijk permanent de tendens, de nei­ging, om te dalen. Dit heeft te maken met de moordende concur­rentie tussen de kapitalisten onderling. Een stelsel als het kapitalisme, waarin kapitalistische ondernemers meerwaarde alleen in winst kunnen omzetten door verkoop van goederen en dien­sten op de markt, leidt onherroepelijk tot een moordende concurrentie. De consu­ment kan dezelfde euro nou eenmaal maar één keer uitgeven. Het betreft hier een keiharde strijd, waar­bij de overwinning van de één het bedrijfsmatige einde van de ander betekent: moordende concurrentie. Om in die con­cur­rentiestrijd niet ten onder te gaan is voor de kapitalist de belangrijkste remedie: goedkoper produceren en zo zijn colle­ga pro­ducent/concurrent van de markt verdringen. Die goedkopere productie streeft hij na door de efficiency van het productieproces te verhogen. En dat doet hij dan door te gaan inves­teren in arbeids­besparende ma­chines: de zogenaamde kapitaalin­ten­sie­ve productie. Zul­ke machines werken efficiënter en sneller dan de mens, maken veel menselij­ke arbeid over­bo­dig en zorgen daarom voor een aanzienlijke besparing op de arbeidskosten. De kapitalist kan nu goedkoper produceren en zo zijn concurrenten het hoofd bieden, ware het niet dat het streven naar per­fec­tie van machines van levensbelang is voor iedere kapitalist. Als fabrikant A dezelfde soort producten van dezelfde kwaliteit vervaardigt als fabrikant B, maar ze tegen een lagere prijs op de markt brengt, zal A dat deel van de markt veroveren ten koste van B. Fabri­kant B zal dan genoodzaakt zijn onder de prijzen van A te duiken om dat deel van de markt weer in bezit te krijgen. Maar dat kan A dan weer niet op zich laten zitten, et cetera. Met ande­re woorden, het voortdurend streven naar perfectere en efficiëntere machines is een blij­vende zaak en van levensbelang voor de kapitalist. Deze nooit eindigende spiraal van inves­teringen in techno­lo­gische ontwikkeling is onlos­ma­ke­lijk verbonden met het kapitalis­me. Maar dit betekent wel dat een steeds groter deel van de winst in kapitaalintensieve pro­duc­tie gestoken moet worden en dat het niveau van de winst bijgevolg steeds meer onder druk komt. Als de kapitalist zijn winst op hetzelfde niveau wil houden of uitbreiden, kan dat alleen door steeds meer te produceren, daar markten voor te vinden en de uitbuitingsgraad van mens en natuur nog verder te verhogen. Maar alle markten zijn al bezet, behalve de staat, die zich via privatisering, deregulering en liberalisering door de neoliberalen laat dwingen allereerst het belang van het kapitaal te dienen. De natuur is al op sterven na dood door kapitalistische exploitatie, bovendien is de koopkracht van de mensen op heel de wereld te ver uitgeput van­wege de vorming van kapitalistische meerwaarde. Met andere woorden, er zijn geen markten meer over, terwijl de kapitalist toch steeds meer moet verkopen terwille van steeds meer winst, om zo te kunnen overleven. In de tendentiële daling van de winstvoet zien we de derde factor die verklaart waarom het kapitalisme de eco­lo­gische en maat­schappelijke problemen niet alleen veroorzaakt, maar ook verdiept, en dus niet tot een oplossing kan brengen.

 

De drie factoren die we hier hebben vermeld maken duidelijk dat het kapitalisme is gebaseerd op blijvende interne tegenstellingen:

  1. kapitaalintensieve productie eist (vanwege de moordende concurrentie) dat een steeds groter deel van het kapitaal, van de winst, opgaat aan de regelmatige aanschaf van altijd maar meer ingewikkelde, talrijke en duurdere machines. Kapitaalintensieve pro­duc­tie als noodzakelijke strategie om de winst op peil te houden, bewerkstelligt tege­lij­kertijd juist een grote druk op de winst(mogelijkheden),
  2. terwijl, vanwege diezelfde kapitaalintensieve productie, ook banen verloren gaan, en daar­door de meerwaarde - de bron van de winst - aanmerkelijk afneemt,
  3. en door een gebrekkige koopkracht, die samenhangt met onbetaalde meerarbeid, ont­sla­gen en hongerlonen, de vraag naar consumptiegoederen achterblijft bij het aanbod, wat natuurlijk weer niet gunstig is voor de winstvorming.

 

 

De onvermijdelijke conclusie

 

Om aan deze blijvende interne tegenstellingen het hoofd te kunnen bieden moet het kapita­lis­me/neoliberalisme de uitbuitingsgraad van mens en natuur voortdurend verhogen. En met de hulp van regeringen wereldwijd slaagt dit systeem daarin wonderwel: overnames en fusies (ver­nietiging van concurrerend kapitaal, dus een vorm van economisch kannibalisme); hon­gerlonen (vooral in ontwikkelingslanden) en loonmaatregelen hier; steeds verdergaande be­zui­­­ni­gingen op de sociale ze­ker­­heid tot die geheel is uitgekleed; massaontslagen in tijden van cri­sis; afbraak van de zorg; niet-herstelde milieuschades; de opbouw van een grote bewa­pe­nings­industrie om kapitaal rendabel te maken; imperia­lis­tische oorlogen onder meer vanwe­ge de beschikking over grondstoffen; afbraak van de democratie en dus de inbreng van het volk, et cetera. De kapi­ta­listische wereldeco­no­mie is moreel een volstrekt verwerpelijk sys­­teem omdat het de ecologische, sociale en maat­schap­pe­lij­ke problemen noodzake­lij­ker­wij­ze niet alleen veroorzaakt, maar ook voortdurend verdiept en niet tot een op­­lossing kan breng­en. We leven in een economische orde die niet in orde is. Een nood­za­ke­lijke voorwaarde voor de oplossing van de gesignaleerde problemen is dan ook niet te vinden in een bijstelling, maar in het einde van die eco­no­mische orde: exit kapitalisme.

 

 

De noodzaak van een vorm van postkapitalisme

 

Ondanks zijn uitzichtloosheid voor mens en natuur is het kapitalisme, in zijn huidige vorm van het neoliberalisme, sterker dan ooit en heeft het zich over heel de wereld kunnen ver­sprei­den. Een van de belangrijkste, wellicht de belangrijkste reden daarvoor, moeten we vooral zoeken in de politiek, maar ook in het beleid van maatschappelijke organisaties. Het beleid van poli­tieke instanties is wereldwijd nog steeds onverbloemd gericht op de bevordering en onder­steuning van het kapi­­taalsbelang en de kapitalistische economie. En bij gebrek aan een postkapitalistisch alter­natief zijn maat­schap­pe­lijke organisaties, op een enkele gunstige uit­zon­dering na, gedwongen zich te richten op kleine veran­de­ringen, die door het neolibe­ra­lis­me worden toe­ge­staan en gemakkelijk door hem zijn te integreren. Dit stelsel is nooit iets sub­stantieel in de weg gelegd, en het heeft daarom dan ook gaandeweg heel de wereld onder zijn ver­der­felijke invloed kunnen brengen. Het is inmid­dels dan ook zo machtig dat het voorlopig niets meer heeft te vrezen van welk economisch alternatief dan ook, zelfs niet van post­ka­pi­ta­lis­tische. Het wachten is op het mo­ment dat het ka­pitalisme zichzelf op­blaast. Intus­sen moeten we werken aan een aanzienlijk politiek en maatschappelijk draag­vlak voor een deugdelijk eco­no­misch alternatief, een vorm van postkapitalisme, dat te zijner tijd het dan zieltogende kapita­lis­me uit zijn doodsstrijd kan verlossen en zijn wederopstanding kan verhinderen. Dat alterna­tief zal met name meerwaar­de­vorming moeten uitsluiten. Want het is deze factor die aan de basis ligt van de drie interne tegenstellingen waarover we hierboven spraken, die de hoofdoorzaak is van de maatschappelijke en ecologische problemen die het kapitalisme met zich brengt, en waardoor deze problemen verdiept en per defi­ni­tie niet tot een oplos­­sing gebracht kunnen worden. In onze boeken bieden we zo'n postkapitalistisch alternatief, dat be­doeld is als een aanzet voor een discussie over zulke alternatieven en een uitnodiging om even­­tueel met iets beters te komen.

 

 

Ons voorstel voor een postkapitalistisch alternatief

 

Het eerste funda­men­t waarop ons postkapitalistisch alternatief berust is de verwijdering van de meer­waar­de­vorming. Niet alleen dankt meerwaardevorming haar bestaan aan onbetaalde meerarbeid - uitbuiting dus - en is niet alleen daarom al verwerpelijk, maar de omzetting van goederen en diensten die meerwaarde bevatten in klinkende munt op de markt, ligt ook ten grondslag aan alle problemen die inherent zijn aan het kapitalisme. De wijze waarop wij in ons alternatief meerwaardevorming willen uitsluiten is gelegen in een productiesfeer waarin geen geld meer omgaat. Haal het geld uit de productie van goederen en diensten, en arbeid kan niet meer aangekocht worden en bijgevolg kunnen onbetaalde meerarbeid en derhalve ook meerwaardevorming niet meer vóórkomen. En op de vraag hoe een productiesfeer zonder geld mogelijk is, luidt het antwoord in zijn algemeenheid: door een einde te maken aan de ver­­werving van geldelijk inkomen in de productie. We onderscheiden drie categorieën deel­ne­mers die allen een inkomen in geld verdienen in het pro­duc­tieproces: grond­stof­leveranciers, geldschieters (kapitalisten dus) en arbeiders. Zo komen grond­stofleveranciers en grondstof­pro­ducenten aan inkomen via toelevering aan het produc­tie­proces. De kapitalist verwerft een inkomen omdat hij door het onbetaalde deel van de arbeid meerwaarde vormt en zo meer uit het productieproces haalt dan hij erin stopt. En de arbeider krijgt een inkomen door zijn arbeidskracht in het productieproces aan te bieden. Dit geeft ons de gelegenheid tot een meer con­creet antwoord op de vraag hoe een einde te maken aan de verwerving van een geld­in­ko­men in de productie, hoe dus de koppeling van inkomen aan inzet in de productie op te heffen. Die koppeling kan verdwijnen als inkomen uit leveranties van grondstoffen en uit arbeid ver­valt. Grondstoffen en arbeid worden dan gratis. En dit brengt weer mee de los­kop­peling van inkomen en ondernemen. Er hoeft immers geen vermogen meer gestoken te worden in de aankoop van kapitaalgoederen, grondstoffen en arbeid. Die zijn immers gratis geworden. En waar arbeid niet meer aangekocht hoeft te worden kan er ook geen sprake meer zijn van meerwaardevorming via onbetaalde meerarbeid. In een productiesfeer waarin geen geld meer omgaat kan meer­waar­devorming eenvoudigweg niet meer voorkomen.

 

 

Nu zijn we zo gewend geraakt aan geld als factor in de productie en de koppeling van inko­men aan inzet in de productie, dat het vanzelfsprekend lijkt dat geld en economie onlos­ma­ke­lij­k met elkaar verbonden zijn. Zonder geld geen economie en zonder inzet in de productie geen inkomen. Door de loskoppeling van inkomen en inzet in de productie zou het aanbod van arbeid, grondstoffen en kapitaal afnemen, en daarmee zou de gehele economie, zo is de vrees, lamgelegd worden. Niettemin is het fenomeen dat geld zo'n belangrijke rol speelt als nu in het kapitalisme, niet van alle tijden. Geld doet pas zijn intrede gedurende het slaven­hou­ders­bestel. In de ongeveer miljoen jaar die daaraan voorafgingen kende de mensheid een geld­lo­ze economie. Desondanks kwam daar een verminderde inzet in de productie niet voor, althans niet vanwege die ontkoppeling, evenmin was daar sprake van een beperking van de pro­ductiecapaciteit om die reden. Arbeid en andere productiemiddelen konden daar vrijelijk in het productieproces bijeengebracht worden, niet gehinderd door de vraag of daar genoeg geld voor was, noch belemmerd door het feit dat daar lonen uitbetaald of inkomens verworven moesten worden. Sterker nog, daar kon men vrijelijk en onbelemmerd produceren, niet on­danks, maar juist omdat geld en verwerving van inkomen geen rol konden spelen. Juist omdat arbeidskracht en andere productiemiddelen daardoor gratis waren, stond wat dit aangaat niets een optimale productie in de weg, uiteraard in het licht van de stand van de beschikbare tech­niek Zowel logisch gezien alsook feitelijk is de koppeling van inkomen aan de productie dus geen onoverkomelijke of dwingende noodzaak. Beter gezegd, de geschiedenis leert dat die ontkoppeling de productie en de economie ten goede kan komen.

 

Het tweede fundament van ons postkapitalistisch alternatief is het zogenaamde "periodiek bud­get": een voor eenieder ongeveer gelijk periodiek uit te keren bedrag in geld.

Er is hierboven al op gewezen dat door de verwijdering van geld uit de productie van goe­de­ren en diensten, consumptiegoederen in de postkapitalistische economie gratis zijn. Die goe­de­ren kun­nen dus in principe kosteloos en derhalve gratis worden gedistribueerd. "In prin­cipe", want vanwege de hebzucht van de mens zou de consumptie vormen aannemen die de draagkracht van het milieu verre overtreffen. De verdeling in ons postkapitalisme kan dus niet onvoorwaardelijk zijn. De aanschaf van consumptiegoederen zou in overeenstemming moeten zijn met wat naar de normen van tijd en maatschappij waarin de consument leeft, een rede­lij­ke behoeftebevrediging is en daar vanuit een hebzucht niet (al te) ver bovenuit kan stijgen. Bij die normen hoort natuurlijk en op de eerste plaats de eis dat de totale hoeveelheid consumptie in overeenstemming moet zijn met een productie die het milieu niet méér aantast dan de aarde op enig moment en met de dan heersende technologie kan verwerken zonder er blijvende scha­de van te ondervinden. Zo'n voorwaarde kan worden vervuld in een budget, een uit te keren bedrag in geld, dat de consument, en dat is iedereen, periodiek wordt toegekend. Zo'n budget waakt er dan voor dat de totale consumptie ongeveer blijft binnen de grens van wat in een bepaalde tijd en in een bepaalde context als ruimschoots voldoende wordt beschouwd voor een reële behoeftebevrediging, terwijl die totale consumptie tevens blijft binnen de draag­kracht van het milieu. De enige tegenprestatie voor dit periodiek budget is de volstrekte vanzelfsprekendheid dat iedereen verplicht is naar talent en moge­lijk­­heid arbeid te leveren.

Het mag duidelijk zijn dat het bedrag van het budget niet bestaat uit geld dat eerder in de productie verdiend is. Dat zou het geval zijn in het kapitalisme. In het postkapitalisme is het geld uit de productie verwijderd. Het geld van het budget is een betaalmiddel dat door de overheid aan iedereen ter beschikking wordt gesteld, en dat na besteding aan consumptie via de verkoper (die ook leeft van een periodiek budget en niet van de opbrengst van zijn verhandelde goederen/diensten) weer terugvloeit naar de overheid. De kringloop in het postkapitalisme loopt dus van de overheid naar de consument, en van de consument via de leverancier van goederen en diensten weer naar de overheid, waarna de beweging weer op­nieuw begint.

Vanwege de onderlinge afstemming van dat budget op de redelijke behoeftebevrediging bin­nen de aangegeven grenzen van natuur en milieu, moet aan de diverse goederen en diensten een waarde in geldbedrag toegekend worden, zodat de hoogte van het geldbedrag in het bud­get daarop afgestemd kan worden. De waardetoekenning - de prijsbepaling van de diverse con­sump­tiegoederen - wordt niet volgens de markt bepaald, want die is er in het post­ka­pi­ta­lis­me niet meer. Die bepaling is in zekere zin willekeurig, maar dan wel met dien verstande dat aan die consumptiegoederen voor de productie waarvan natuur en milieu zwaarder worden belast, een hoger prijskaartje hangt.

 

Het derde fundament van ons alternatief is de overheidscontrole op de toewijzing van pro­duc­tie­middelen. Evenals consumptiegoederen zijn in het postkapitalisme ook de productiemid­delen, zoals machines, gebouwen, boten et cetera, gratis. En ook hier geldt dat de aanschaf daarvan door de hebzucht van de mens niet de werkelijke behoeften mag overschrijden en meer dan noodzakelijk het milieu belast. De voorwaarde die hieraan het beste lijkt te kunnen voldoen is een controle die door een instantie wordt uitgevoerd, een instantie die uitsluitend op het algemeen belang gericht is. Een zaak van dergelijk bovenindividueel belang als de aanschaf van productiemiddelen kan eenvoudigweg niet aan het particulier initiatief over­gelaten worden. Zij dient onder toezicht te staan van een van een instantie die vanuit een min of meer totaaloverzicht verantwoorde beslissingen kan nemen en daarbij door het volk wordt gecontroleerd. Zo'n instantie is bijvoorbeeld een staatsorgaan.

 

 

De zegeningen

 

Een productiesfeer waarin geen geld meer omgaat zodat goederen en diensten in principe gratis zijn, de invoering van een periodiek budget dat de consumptie binnen de draagkracht houdt van het milieu en een overheidscontrole op de sector van de productiemiddelen, zie daar de bepalende elementen van ons postkapitalistisch alternatief. Van hieruit schetsen we in grote lijnen de zegeningen ervan voor mens en natuur.

 

Het eerste wat dan opvalt is dat in het post­ka­pi­ta­lis­me helemaal geen geld komt kijken bij de inspanning voor welvaart en welzijn van ieder­een op deze wereld. Het enige benodigde is slechts het bijeenbrengen van de vereiste know­how, productiemiddelen en arbeid die, zoals gezegd, gratis zijn. Niet langer meer moet in het productieproces eerst geld zijn verdiend waar altijd te weinig van is om aan de behoeften van de samenleving tegemoet te komen, zoals in het kapitalisme. De enige rol van het geld in het postkapitalisme is de consumptie te beperken tot een niveau waarop de draagkracht van natuur en milieu niet overschreden wordt. Binnen dit kader is er (voor de overheid) geen enkele beperking om een maximale inzet te plegen voor zorg van allerlei soort, evenals ook voor onderwijs en openbaar vervoer, kortom de pu­blie­ke sector. Het postkapitalisme kent geen armlastige staat zoals het kapitalisme. In het algemeen geldt dat de diensten in alle sectoren kosteloos en met een maximale inzet binnen de draag­kracht van het milieu verstrekt kunnen worden. En vanwege het periodiek budget dat aan iedereen wordt toegekend worden we in het postkapitalisme ook niet langer meer geconfron­teerd met pro­ble­men die we nu tegen­komen met de betaalbaarheid van pensioenen, de finan­cie­ring van de arbeidsonge­schikt­heids­rege­ling­en, de bijstand et cetera. Iedereen beschikt over de geldelijke middelen voor een redelijke behoeftebevrediging.

 

Het postkapitalisme kent ook geen massaontslag en baanloze groei, zoals het kapitalisme. Dit schept verschillende mogelijkheden voor de inzet van arbeid. Zo is iedereen die daarvoor is uitgerust inzetbaar in het arbeidsproces. Dit biedt reële perspectieven op een verkorting van de werkweek. En dat zonder inle­ve­ring van bestedingsruimte. Want na het kapitalisme is arbeid gratis en krijgt het inkomen gestalte in het periodiek budget.

 

Het is de taak en het bestaansrecht van de politiek om de georganiseerde uitdrukking te zijn van de keuzen en de wil van het volk, en om de economie overeenkomstig die wil richting te geven.

Onder het kapitalisme/neoliberalisme heeft de staat in het proces van privatisering de controle over de economie steeds meer uit handen gegeven en overgelaten aan het kapitaal, dat omwil­le van de accumulatie het algemeen belang, waarvan de democratie het voertuig is, steeds meer met voeten treedt.

De postkapitalistische economie is juist ontworpen en bedoeld voor het algemeen belang, sociale rechtvaardigheid, voor welvaart en welzijn van iedereen. Een postkapitalistische staat die de economie bevordert, begunstigt daarmee per definitie het algemeen belang en is daar­mee een voertuig van de democratie.

 

Om de miskenning en de verkrachting van het algemeen belang in het kapitalisme/neolibera­lis­me te camoufleren, wordt het bewustzijn van mensen voortdurend op massale schaal misleid met de boodschap dat met de bevordering van het belang van het kapitaal het alge­meen belang het beste gediend zou zijn.

In het postkapitalisme is geen behoefte aan een dergelijke misleiding en vergiftiging van het bewustzijn, want in die economie zijn geen andere belangen vertegenwoordigd dan die van het volk: het algemeen belang dus.

 

We hebben gezien hoe en waarom in het kapitalisme problemen met de winstvorming leiden tot groeidwang, waarin de draagkracht van natuur en milieu voortdurend, systematisch en onvermijdelijk wordt overschreden.

Het postkapitalisme kent geen groeidwang, want daar wordt geen meerwaarde gevormd die op de markt in geld moet worden omgezet en die leidt tot moordende concurrentie. Groei in het postkapitalisme doet zich voor als en voor zover daar technologieën worden ontwikkeld die een verhoogde productie mogelijk maken, maar waarbij geen onverantwoord beslag wordt gelegd op milieu, energie en grondstoffen. Zo'n verhoogde productie kan dan leiden tot een uitbreiding van het consumptiepakket en corresponderend daaraan tot een verhoging van (de waarde van) het budget.

Een ander belangrijk verschil is dat in het postkapitalisme groei geen noodzakelijkheid is zonder welke de economie in elkaar stort. In het postkapitalisme kan voor groei gekozen worden op het moment dat hij wenselijk en haalbaar is. Hier kan men dan ook kiezen voor extra groei daar waar dat nodig is, bijvoorbeeld ontwikkelingslanden, en in functie daarvan de groei op plaatsen waar al een redelijke welzijn en welvaart heersen tijdelijk te temperen en te stabiliseren, zoals bijvoorbeeld in het Westen.

 

Duurzaam

 

De verhoudingen in ons postkapitalisme kunnen worden omschreven als "duurzaam", in de betekenis die dit begrip in de loop der tijd heeft gekregen ter typering van "ontwikkeling". Duur­zame ontwikkeling heeft een ecologische, economische en sociale dimensie.

 

  • Ecologische duurzaamheid is de hoeksteen van duurzame ontwikkeling. Het eco­sys­teem mag niet zo zwaar belast worden dat het blijvend verstoord raakt.
  • Duurzame ontwikkeling heeft ook betrekking op sociale aspecten. Het impliceert een situatie waarin de belangen van allen zoveel mogelijk tot hun recht komen, binnen de grenzen van wat ecologisch verantwoord is.
  • Economische duurzaamheid verwijst naar het creëren en in stand houden van een economisch systeem, dat zowel nationaal als internationaal de huidige en toekomstige generaties in hun behoeften kan voorzien, ook dit binnen de draagkracht van het milieu.

 

Gelet op deze dimensies kan men zeggen dat "duurzaam" een adequate typering is van ons post­kapitalistisch alternatief.

 

 

De weg ernaar toe

 

Zoals al opgemerkt is het kapitalisme in zijn huidige vorm van het neoliberalisme zo machtig geworden dat het voorlopig niets te vrezen heeft van welk economisch alternatief dan ook. We zullen moeten wachten tot het requiem voor het kapitalisme. Dat wil natuurlijk niet zeg­gen dat er intussen niets kan gebeuren of dat kleine stapjes en het bijschaven van de scherpe kantjes geen nut zouden hebben. Iedere leniging van nood, hoe bescheiden eventueel ook, is onvoor­waar­delijk geboden. Alleen komt het einde van het kapitalisme daardoor geen stap dich­ter bij. Om dát te bereiken zullen we moeten kunnen beschikken over een postka­pi­ta­lis­tisch alternatief en een groot maatschappelijk draagvlak daarvoor, die krachtig kun­nen toe­slaan als de tijd daar is dat het kapitalisme zichzelf afbreekt, en die zijn wederopstandig kun­nen verhinderen. Over de vraag wan­neer dat zal zijn valt weinig met zekerheid te zeggen. Wan­neer zullen de kapitalisten massaal hun activa terugtrekken vanwege een wereldwijd wan­­­­trouw­­­en in het rendement van hun inves­te­ringen, en zo hun eigen gedrocht opblazen? Wie het weet mag het zeggen. Op weg daar naartoe zijn er in ieder geval enkele aange­le­gen­heden die niet aan de aandacht mogen ontsnappen, en die de komst van dat postka­pi­ta­lis­me en dat draagvlak ver­ge­mak­kelijken.

1. Allereerst moet natuurlijk zo snelmogelijk de discussie over de meest geschikte vorm van postkapitalisme geëntameerd worden. Met onze publicaties over het postkapitalisme en het ini­tiatief voor deze website hebben we met die discussie een begin willen maken. De zin van een discussie, en toch zeker als het betreft economische alternatieven, is dat ontwikkelingen niet van bovenaf opgelegd worden op straffe anders te mislukken. Een beweging heeft zoveel meer kans van slagen wanneer betrokkenen er zich in een democratisch proces over uit kun­nen spreken en zich er zo mee identificeren. Daarom moet de weg naar het postkapitalisme via democratische besluitvorming verlopen. En ofschoon zoveel mogelijk mensen, liefst ieder­­­­­een, aan deze discussie zouden moeten deelnemen, is het in de allereerste beginfase aan­ge­wezen die gedachte­wis­se­ling te starten bij de mensen, groeperingen en organisaties, bij wie men al een kritische houding tegenover het neoliberalisme kan aantreffen.

 

2. We wijzen ook op de noodzaak dat het postkapitalisme uitein­de­lijk een wereldwijde bewe­ging wordt. Omdat het neoliberalisme zelf wereldwijd is en met niets minder genoegen neemt dan heel de wereld als markt, zal een postkapitalisme dat zich beperkt tot een enclave geen levenskansen hebben. Voor een globale reikwijdte van het post­kapitalisme kunnen politieke partijen een belangrijke rol spelen. Maar omdat geen van de be­staande partijen bereid is de confrontatie met het neoliberalisme als economisch systeem aan te gaan, is het een noodzaak dat de discussies over het postkapitalisme ook gericht zullen zijn op de oprichting van een nieuwe politieke partij, die het postkapitalisme van harte en daad­krachtig kan promoten.

 

3. Op de derde plaats zou men ervoor kunnen pleiten om, naargelang de discussie vordert, te bezien in hoeverre reeds bepaalde stappen gezet kunnen worden die al enige vorm van post­ka­pi­talisme in zich herbergen. We wijzen hier bijvoorbeeld op de wenselijkheid van andere maatstaven om het welzijn en de welvaart van een land vast te stellen dan via het BBP (zie: Links, onder www.globalternatives.nl). We denken verder ook aan de invoering van een Alge­meen Basis Inkomen, dat gezien kan worden als voor­loper van het peri­o­diek budget uit ons voorstel voor een postkapitalisme. Ofschoon er dus hier en daar reeds alternatieve voor­stel­len zijn die op enige vorm van postkapitalisme lijken te wijzen, ligt in deze site de prio­ri­teit allereerst bij de discussie over en het ontwikkelen van een postkapitalistische economie. Dat wil zeggen een economische totaalstructuur die het kapita­lis­me kan vervangen. Eerst dient het postkapita­lis­me waar we over gaan discussiëren en waar we naar streven inhoudelijk voldoen­de duidelijk te zijn, alvorens de stappen aan de orde ko­men op weg naar de realisering van dat postkapita­lis­me. Logisch gezien lijkt het de juiste volg­orde om eerst te willen weten waar het postkapi­ta­lis­me voor staat, alvorens concrete stap­pen aan de orde komen. Een omgekeerde volgorde, waar­in de aandacht dus allereerst uitgaat naar concrete stappen, houdt het gevaar in van een opeenstapeling van voorstellen die niet op hun merites zijn te beoor­de­len, en meestal leiden tot een babylonische spraakverwarring.

 

4. Tenslotte moet over de weg naar het postkapitalisme opgemerkt worden dat het niet aan­geraden is die weg met al te veel paaltjes uit te willen zetten. In het algemeen is het beter de creativiteit op te brengen om adequaat te reageren op het proces van de discussie zoals zich dat ontrolt. Een strakke planning vooraf leidt meestal tot misluk­king of een zeer moeizaam verloop. Een creatief pad is beter.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omhoog Terug